It’s all up to me..

Op verzoek een aantal oude columns op mijn blog, dit is er één van. Originele versie: 04.05.2010

Als klein meisje wilde ik kok worden. Daarna volgden dierenarts, lerares, banketbakker, danseres, musicalster, psychologe, journaliste, binnenhuisarchitect, schrijfster en advocaat. Een hele waslijst, maar gelukkig normale beroepen. Zeker als je ze vergelijkt met het droomberoep van m’n broertje, die jarenlang heeft volgehouden dat hij het allerliefste politiehond zou willen worden. Ja, je leest het goed. Gelukkig heeft hij deze fase alweer heel wat aantal jaren achter zich gelaten en gaat hij volgend jaar Sociologie studeren, een hele geruststelling moet ik zeggen.

Om de paar jaar veranderde ik van droomberoep. Toen ik er bijvoorbeeld achter kwam dat je als dierenarts regelmatig bloed ziet, spatte mijn roze wolk van schattige kittens en zachte konijntjes met grappige flaporen als een zeepbubbel uit elkaar. Tijdens de danslessen kwam ik erachter dat je voor danseres toch echt wel iets soepeler moest zijn en voor binnenhuisarchitect bleek je naast een creatieve geest toch ook wel enige aanleg voor wiskunde nodig te hebben, iets wat ik helaas niet bezit.

Rond m’n dertiende kwam er echter meer regelmaat in de manier waarop ik mijn carrièreloopbaan zag. Ik wilde advocaat of schrijfster worden. Er bestond nog wel de twijfel of ik dat ging bereiken door Rechten op de universiteit te studeren of Journalistiek op het HBO, maar de tijd van elke maand een ander beroep was voorbij. Uiteindelijk werd het Rechten, niet alleen omdat ik met m’n Atheneum toch wel echt een universitaire studie wilde doen, maar ook omdat je met Rechten nog altijd schrijfster kon worden, maar als schrijfster moeilijk meer een baan als advocaat kon verwezenlijken. Bovendien wordt het door internet en self-publishing-sites steeds gemakkelijker om naamsbekendheid te kweken en een boek uit te geven. Nadeel is wel dat iedereen die iets op een blaadje weet te kalken zichzelf ‘schrijver’ kan noemen, een titel die ik mezelf zeker (nog) niet toebedeel.

Nu ik alweer bijna twee jaar aan de universiteit van Tilburg de studie Rechtsgeleerdheid volg, komt mijn droomberoep als advocaat elke dag een stukje dichterbij. Het probleem is nu echter dat ik ondertussen niet meer zo zeker weet of ik wel advocaat wil worden. Dat ik iets in deze sector wil gaan doen is wel zeker, maar advocaat? Een vraag die ik al tientallen malen heb moeten aanhoren en beantwoorden, is: ‘Hoe kan je nou iemand verdedigen van wie je weet dat hij schuldig is?’ Een goede vraag en het antwoord daarop moet ik nog steeds schuldig blijven. Tijdens één van de colleges van de afgelopen twee jaar heb ik horen zeggen dat het niet uitmaakt of je cliënt schuldig is of niet, zolang je er maar voor zorgt dat het recht op een goede manier wordt toegepast. Naar mijn idee is dit juist, maar toch wringt het diep van binnen met wat ik voel.

De vraag is nu: wat wil ik dan wel? Het is zo raar om na iets wat je al acht jaar wilt gaan doen te zoeken naar iets anders. Na lang rondkijken en rondvragen kwam er ineens iets naar voren waar ik van tevoren nooit aan had gedacht: kinderrechter. Het idee dat je iets kunt bijdragen aan de maatschappij, jongeren op het rechte pad kunt brengen of de hardleerse gevallen kunt bestraffen, is naar mijn idee iets waar je veel voldoening uit kunt halen. Toen ik vanochtend in de bibliotheek op de campus naar bronnen voor m’n paper aan het zoeken was, kwam ik een column tegen van de heer Van Raalte, voormalig raadsheer in het Gerechtshof Arnhem. Zijn artikel ‘Schone handen, vuile handen’[1] gaf precies weer wat ik van het rechtersberoep verwacht. Zo zei hij, and I quote: ‘Een van de aantrekkelijke kanten van het rechtersvak bestaat hieruit dat je in de uitoefening ervan schone handen houdt. Rechters laten zich immers – zo is de basisgedachte – bij het nemen van hun beslissingen zuiver leiden door wat naar hun overtuiging eerlijk en rechtvaardig is’. Of dit in de praktijk voor alle rechters geldt, laat ik hierbij even buiten beschouwing, maar dit is toch wel globaal het idee dat ik van rechters heb. Noem het naïef, noem het idealistisch of rondom stom, maar ik zie het nou eenmaal zo en een knappe jongen die daar iets aan weet te veranderen. Op ironische manier vertelt Van Raalte vervolgens dat rechters ook zo hun trekjes hebben, waardoor je aan het eind van het artikel het idee krijgt dat rechters toch net mensen zijn, met al hun gebreken en eigenaardigheden. Als afsluiting weet hij wederom een quote-waardige zin te formuleren: ‘Dit alles verklaart waarom men rechters aan het einde van hun werkdag doorgaans met opgeheven hoofd huiswaarts ziet fietsen, zich niet schamend de hand uit te steken wanneer zij afslaan.’  Als ik dat elke keer kan doen, werkdag naar werkdag met opgeheven hoofd huiswaarts keren, dan is dat alles wat ik van mijn toekomstige beroep kan wensen…

 


[1] N. van Raalte, ‘Schone handen, vuile handen’, Trema april 2007, nr. 4.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s