HIV-jurisprudentie – Voorwaardelijk opzet nader beschouwd

Geplaatst in SecJure, Onafhankelijk Faculteitsblad Universiteit van Tilburg, jaargang 25, editie 3, 08.03.2011
De originele versie is hier terug te vinden: http://www.magisterjft.nl/kamers.php?view=view_contents&menu=4&id=410&did=8

Een verdachte heeft onbeschermd seksueel contact gehad met een man, terwijl hij wist dat hij ten tijde van dit contact met HIV besmet was. Was er bij een dergelijke mate van onbeschermd seksueel contact een aanmerkelijke kans op besmetting, die daarbij ook nog de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer met zich mee kon brengen?

In het onderstaande komt de HIV-jurisprudentie aan bod, een reeks van vier zaken in de periode 2003-2007. Het ging in alle gevallen om personen die opzettelijk hun besmetting verzwegen voor hun (bed)partners. In dit artikel worden deze vier zaken besproken en worden de meest opmerkelijke punten uit deze arrestenreeks belicht.

Arrest HIV I [1]
De inleidende casus betreft de zaak HIV I. De vraag was hier of sprake was van voorwaardelijk opzet. Dit voorwaardelijk opzet is volgens het Cicero-arrest aanwezig indien de verdachte zich ‘willens en wetens aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat een bepaald gevolg zal intreden’.[2] De Hoge Raad zei hierover in HIV I, rechtsoverweging 3.6: ‘De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te trachten.’

In tegenstelling tot het Hof, die een poging tot doodslag aannam, achtte de Hoge Raad de aanmerkelijke kans op de dood hier niet zonder meer aanwezig, gezien de lange incubatietijd na besmetting (zes tot tien jaar) voordat de dodelijke ziekte AIDS optreedt en daarnaast de onzekerheid of de al bestaande HIV-behandelingen het optreden van AIDS blijvend konden voorkomen.

Daarnaast kwam hier de kans op besmetting aan bod. Wanneer is de kans immers groot genoeg? Deskundige prof. dr. Danner[3] zegt hierover: ‘De kans op besmetting is 1 op 200 tot 300 per seksuele handeling. In de medische wereld wordt een dergelijke kans groot geacht.’[4]

Naast deze vraag kwam aan bod om welk delict het hier nu ging: poging tot doodslag, poging zware mishandeling of schuld aan zware mishandeling. Aangezien besmetting volgens de Hoge Raad hier niet per se de dood tot gevolg zou hoeven hebben, zou het hebben van onveilig seksueel contact alleen (poging tot) zware mishandeling op kunnen leveren (art. 45 jo. 302 of 303 Sr).

Arrest HIV II [5]
Ook deze zaak had betrekking op de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer bij eventuele besmetting zou kunnen komen te overlijden. De verdachte had hier meerdere malen onbeschermd seksueel contact gehad met vrouwelijke partners, terwijl hij wist dat hij was besmet. Volgens het Hof was er van zo’n aanmerkelijke kans sprake, de Hoge Raad oordeelde echter anders. Hoewel uit de bewijsmiddelen bleek dat de verdachte met deze gedragingen het gevaar op besmetting met het HIV-virus in het leven had geroepen, was dit volgens de Hoge Raad niet voldoende om naar algemene ervaringsregels als een aanmerkelijke kans op het verboden gevolg te worden aangemerkt. Dit ondanks dat er hier meerdere malen onbeschermd seksueel contact had plaatsgevonden, zo blijkt uit rechtsoverweging 3.5.

Arrest HIV III [6]
Dit arrest vloeit voort uit de zaak HIV I. De Hoge Raad gaat hier verder door te stellen dat precies in de bewijsoverwegingen aangegeven dient te worden wat de verdachte werkelijk wilde aanvaarden. Daarnaast wordt de vraag gesteld wat nu precies verondersteld dient te worden met opzet. Moet worden gekeken naar de normaal denkende mens en moeten we ervan uitgaan dat de verdachte dit ook is of zouden we beter de persoon van de verdachte kunnen onderzoeken, dus wie hij is, hoe hij tot zijn handeling kwam en misschien wel het belangrijkste: of hij het ingetreden gevolg ook daadwerkelijk wilde?

Naast het herhalen van de algemene overwegingen uit de eerdere arresten, kwam de Hoge Raad nog met iets nieuws: naar algemene ervaringsregels kan niet zonder meer sprake zijn van een aanmerkelijke kans op besmetting, maar dit kan anders zijn onder ‘bijzondere, risicoverhogende omstandigheden’.[7]

Arrest HIV IV [8]
Deze zaak heeft geen betrekking op gevaarzettend gedrag in de pogingsfeer, maar om een voltooide besmetting.[9] Het ging hierbij om een seropositieve man die regelmatig seksueel contact had met zijn partner, zonder deze verteld te hebben dat hij besmet was met het HIV-virus. Zowel de rechtbank in Utrecht als het Hof Amsterdam spraken hem vrij van poging tot doodslag en veroordeelden hem wegens zware mishandeling. Het Hof verwerkte in zijn oordeel de statistische kans op besmetting, maar de Hoge Raad vond deze gegevens niet voldoende zwaarwegend om te kunnen spreken van de aanmerkelijke kans die voor voorwaardelijk opzet is vereist. De Hoge Raad liet zich bij deze uitspraak leiden door een brief die de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer over het terughoudende overheidsbeleid betreffende strafrecht en HIV.[10] Deze had echter betrekking op gevallen waarin er geen sprake was van besmetting.[11]

De vier zaken nader bekeken
In HIV I werd bij de vraag of een kans aanmerkelijk is, beoordeeld aan de hand van algemene ervaringsregels, waarbij niet gekeken mocht worden naar de aard van het gevolg. In HIV II zette de Hoge Raad dit criterium voort. In HIV III kwam hier echter verandering in, doordat de Hoge Raad stelde dat de betrokken belangen toch een rol spelen, los van de vraag hoe groot de kans op besmetting volgens algemene ervaringsregels is.[12] In HIV IV keerde de Hoge Raad weer terug naar de redenering die hij volgde in de eerste twee arresten door de statistische gegevens die zijn ontleend aan de algemene ervaringsregels, ondergeschikt te stellen aan de politieke opvattingen over de manier waarop de volksgezondheidsbelangen zouden moeten worden beschermd. Daarnaast veegde de Hoge Raad de toelichting van deskundige prof. Danner van tafel.

Daarmee samenhangend is het opmerkelijk dat de Hoge Raad zich in HIV IV in zijn beslissing liet leiden door de eerdergenoemde brief van de Minister van Justitie, blijkbaar wegen politieke overwegingen hier zwaarder dan de algemene ervaringsregels waar de Hoge Raad eerder zo stellig aan vasthield. In feite zegt de Hoge Raad dat het niet aan de rechter is om een oplossing te geven voor dit probleem, maar moet de wetgever hier maar een oplossing voor zoeken. Dit is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Het enkele feit dat strafrechtelijk optreden kan worden gegrond op een wettelijke bevoegdheid is onvoldoende, de interventie moet daarnaast ook maatschappelijk kunnen worden verantwoord.[13] Van oudsher vormt de strafbaarstelling van seksuele gedragingen een complexe materie waarover slechts moeizaam maatschappelijke en politieke consensus wordt bereikt. De veelvormigheid van de seksuele praktijken en de diepverankerde idee van een private seksuele levenssfeer staan daaraan in de weg.[14] Anders dan de wetgever kan de strafrechter niet volstaan met een algemeen oordeel,  maar rust op hem de plicht de wettelijke norm te concretiseren door deze toe te passen op de hem voorgelegde feiten. Zo treedt de strafrechter in het voetspoor van de wetgever: op hem rust niet alleen de wettelijke taak te bepalen of het ten laste gelegde een overtreding van de strafwet oplevert, maar ook de morele plicht de inhoud van de wettelijke norm (nader) vast te stellen en de betekenis daarvan te duiden voor de aanhangige strafzaak.[15]

Wat daarnaast onder het uit HIV III voortvloeiende begrip ‘bijzondere, risicoverhogende omstandigheden’ moet worden verstaan, is ook niet helemaal duidelijk. In HIV IV viel blijkbaar zelfs het veelvuldig seksueel contact hebben niet onder deze term[16], maar welke omstandigheden dan wel?

Hoewel er nog meer tegenstrijdigheden in de arresten zijn aan te voeren, zijn bovenstaande punten voor mij het meest opmerkelijk. Niet voor niets is de HIV-jurisprudentie in de literatuur zo vaak bekritiseerd[17], heeft de Hoge Raad hier (bewust) een steekje laten vallen?


[1] HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, m. nt. YB
[2] HR 09 november 1954, NJ 1955, 55 (Cicero)
[3] S. Danner; voorzitter Nederlandse Vereniging van AIDS-behandelaren, bestuurlid Stichting HIV Monitoring, vanaf 1984 hoofd klinische Aids-unit bij het AMC, in 1995 benoemd tot hoogleraar Inwendige Geneeskunde.
[4] HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, rechtsoverweging 3.7.4
[5] HR 24 juni 2003, NJ 2003, 555
[6] HR 18 januari 2005, NJ 2005, 154, m. nt. D.H. De Jong
[7] HR 18 januari 2005, NJ 2005, 154, rechtsoverweging 3.6
[8] HR 20 februari 2007, NJ 2007, 313
[9] N. Rozemond, ‘Hoe groot moet de kans zijn?’, Wetenschap, afl. 2007/18
[10] Kamerstukken II, 2004/2005, 29800, VI, nr. 157, p. 3-9
[11] Kamerstukken II, 2004/2005, 29800, VI, nr. 157, p. 3
[12] N. Rozemond, ‘Hoe groot moet de kans zijn?’, Wetenschap, afl. 2007/18
[13] M. Moerings, C.M. Pelsen en C.H. Brants, Morele kwesties in het strafrecht, Deventer: Kluwer, p. 157
[14] R.S.B. Kool, De strafwaardigheid van seksueel misbruik, p. 163
[15] M. Moerings, C.M. Pelsen en C.H. Brants, Morele kwesties in het strafrecht, Deventer: Kluwer, p. 158
[16] Rechtoverweging 4.4: ‘Dat de verdachte en zijn partner veelvuldig seksuele contacten hebben gehad, zoals het Hof heeft vastgesteld, kan weliswaar als een zekere verhoging van vorenbedoeld risico worden beschouwd, maar niet worden aangemerkt als een bijzondere, risicoverhogende omstandigheid als hiervoor onder 4.2 bedoeld.’
[17] Zie hiervoor o.a. het eerdergenoemde artikel van N. Rozenboom, A.J.M. Machielse – ‘Onbeschermde seks en opzet op levensberoving’ en C.J. van der Wilt – ‘Voorwaardelijk opzet op HIV-infectie in rechtsvergelijkend perspectief ‘.

Advertenties

7 Comments on “HIV-jurisprudentie – Voorwaardelijk opzet nader beschouwd

  1. Het zou me niet verbazen als bepaalde leden van de HR zelf misschien schuldig zijn geweest aan bovengenoemde activiteiten – ik geloof niet dat het de mentale capaciteit is die ontbreekt, kennelijk slechts de wil een verantwoord standpunt in te nemen en een concrete lijn uit te zetten.

  2. Pingback: Vreemde zoektermen | SYLVIA KUIJSTEN

  3. Pingback: 2013: blogjaar | SYLVIA KUIJSTEN

  4. Pingback: De Blog Top Drie Tag | SYLVIA KUIJSTEN

  5. Pingback: Populairste blogs van 2014! | SYLVIA KUIJSTEN

  6. Pingback: Blogstatistieken van 2014! | SYLVIA KUIJSTEN

  7. Pingback: Taart voor jou! | SYLVIA KUIJSTEN

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: