It’s so fluffy I’m gonna die!

De titel van deze blog is de meest briljante zin uit de al net zo briljante film ‘Despicable Me’. Ik heb de quote van Agnes altijd al een keer als blogtitel willen gebruiken en nu heb ik er eindelijk een goede reden voor, zoals hieronder valt te lezen…

Ik heb nooit huisdieren gehad. Misschien verklaart dat waarom ik op 21-jarige leeftijd nog steeds net zo blij als een vijfjarig kind door een dierentuin huppel. Eindeloze discussies hebben mijn ouders en mijn broertje en ik gevoerd, maar het leidde nooit tot een viervoetig huisgenootje. Een hond was zo’n gedoe met uitlaten, voor een kat moest je toch eigenlijk ook wel thuisblijven, een konijnenhok schoonmaken was veel werk, aan vogels, ratten en hamsters had je niets en zelfs een goudvis in een plastic zak kon ik met Kerst wel vergeten. Zelf heb ik het niet zo op insecten en reptielen, dus die vielen automatisch al af. Dan had je natuurlijk naast het afstrepen van de dierkeuzes op het lijstje nog hét ultieme argument van mijn ouders: mijn broertje en ik zouden het beestje in kwestie toch snel beu zijn en dan konden mijn ouders ervoor zorgen. Tjah, dan kun je als klein kind drammen wat je wilt, maar mijn ouders waren echt onvermurwbaar.
Jaar na jaar ging voorbij en mijn broertje en ik groeiden huisdierloos op. Op zich vond ik dat wel jammer, maar aan de andere kant was ik het gewend en in discussie gaan in de hoop om iets anders te horen dan ‘nee’ had ik al lang opgegeven. Toen ik eenmaal op kamers ging, was de huisdierendiscussie niet langer relevant en ik had het veel te druk met mijn heerlijke studentenleventje. Toch vroeg ik me af en toe af of, nu ik mijn eigen appartementje had, dit niet dé ideale gelegenheid was om dan eindelijk dat felbegeerde huisdier te nemen.

En dan tellen we 7 oktober 2011. Ik sta net als elke vrijdagmiddag te wachten op de bus. Net als altijd heb ik m’n rugzak en weekendtas bij me en net als altijd duim ik dat ik een zitplek in de bus kan bemachtigen. Ditmaal heb ik echter niet één plek nodig, maar twee. Ik draag namelijk een reismand bij me met een ietwat angstige kat erin. Het is zijn eerste keer met de bus. Sinds een week ben ik namelijk het trotse baasje van mijn 18 weken oude kat Chuck. Ik geloof niet dat mijn ouders me echt 100% serieus namen toen ik hen vertelde dat ik na 21 jaar nu toch echt een kat wilde, maar nadat ik definitief die knoop had doorgehakt had ik binnen no time zo’n schattige haarbal. Sinds afgelopen zaterdag gaat Chuck in mijn woonkamer achter plastic zakjes aan, zet hij zijn nageltjes in mijn bank, weet hij elke keer weer voor mijn voeten te belanden waardoor ik om de haverklap struikel en eet hij de blaadjes van mijn bonsaiboompje op. Ik kan hem nu al niet meer missen. Met liefde vul ik zijn voeder- en drinkbakje, pak ik het poepschepje ter hand om de kattenbak uit te ruimen en hanteer ik de stofzuiger om te voorkomen dat het kleed onder de salontafel dezelfde kleur krijgt als zijn vacht. Ik krijg er namelijk veel voor terug. Zijn grappige stunts als hij een vlieg probeert te vangen, zijn gespin als hij tegen me aan op de bank komt liggen en zijn gepiep waarmee hij aan wil geven dat hij geknuffeld wil worden. En hoewel ik geen fan ben van huisgenoten, is het toch wel heel gezellig als je ’s avonds thuiskomt en er iemand op je te wachten. Daarnaast denk ik dat het ook voor mezelf een goede leerschool is. Ik heb namelijk niet meer alleen aan mezelf te denken, maar draag nu de verantwoordelijkheid voor een ander levend wezentje, hoe klein ook. En dat voelt eigenlijk best goed. Tijd voor iets meer volwassenheid dus. Time for change…

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s