Betrouwbaarheid getuigenverklaringen; kunnen we onze eigen ogen vertrouwen?

Aan getuigenverklaringen wordt grote waarde gehecht in het strafproces, maar is dat terecht? Afgelopen juli vertrok ik een week naar Praag voor een summerschool over recht, misdaad en psychologie. Tijdens deze colleges werd al snel duidelijk dat het menselijk brein ontzettend beïnvloedbaar is. Niet alleen factoren als tijd en perspectieven van anderen hebben invloed op hoe je bepaalde belevenissen herinnert, zelfs door er alleen al aan te dénken, verandert je herinnering. Ik vond het behoorlijk schokkend om te ontdekken hoe vaak ons brein ons eigenlijk voor de gek houdt. De moeite waard dus om hier een artikel aan te wijden.

Geheugen conformiteit
Zoals al in de inleiding werd vermeld, worden ooggetuigen beïnvloed door andere mensen. Dit wordt ook wel geheugen conformiteit genoemd. Drie factoren versterken deze conformiteit. Allereerst geven getuigen graag een verklaring af die overeenkomt met groepsnormen om sociale acceptatie te verkrijgen. De tweede factor houdt in dat mensen een verklaring afleggen van wat andere getuigen hen verteld hebben, omdat ze onvoldoende op hun eigen herinnering vertrouwen. De derde factor is ten slotte het feit dat mensen door gegeven informatie een valse herinnering kunnen creëren.[1]

Beoordeling betrouwbaarheid getuigen
In de rechtspraak en wet zijn eisen ontwikkeld die de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen zouden moeten garanderen. Deze eisen zijn onderverdeeld in een intrinsieke en extrinsieke betrouwbaarheidstoets.

De intrinsieke betrouwbaarheidstoets is niet wettelijk geregeld, maar volgt uit de rechtspraak. Hieruit volgen onder andere de criteria van de spontaniteit en standvastigheid van de getuige, de samenhang en ondubbelzinnigheid van de verklaringen en de nauwkeurigheid en precisie van het verhaal.[2] Als aan deze criteria voldaan is, wordt gekeken naar de extrinsieke betrouwbaarheid. Hierbij worden de verklaringen getoetst aan ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs mag van willekeurige aard zijn (dit is niet wettelijk vastgelegd), echter mag het niet uit dezelfde informatiebron komen.[3]

De zaak Huge Williams
Tijdens de eerder genoemde summerschool werden verschillende zaken behandeld. Eén daarvan is die van Huge Willams (2003).[4] Deze zou op een dag een vrouw zijn tegengekomen op straat. Na een gezellig gesprek eiste hij ineens geld en bedreigde haar met een injectienaald. De vrouw wist te ontkomen en belde de politie. Als omschrijving gaf ze op dat de man blank was, met zwart kort haar, glad geschoren, bruine schoenen, en zwarte jas met zwarte rits en een blauwe broek. Verder sprak hij met een Londens accent. Samen met de vrouw reden twee politieagenten door de wijk, op zoek naar de bewuste man. Verschillende keren wezen de agenten mannen op straat aan die mogelijk de dader zouden kunnen zijn. Op een gegeven moment zagen ze vanaf tien meter afstand een man lopen, die door de vrouw werd geïdentificeerd als de dader. Toen de man de politieagenten op zich af zag komen, rende hij weg, maar ze wisten hem na een achtervolging in de kraag te grijpen.

Gedurende het gehele proces ontkende de verdachte elke betrokkenheid bij het voorval. Terecht, zo bleek uiteindelijk. Hoewel de verdachte blank was en zwart haar had, droeg hij op het moment van arrestatie – dat plaatsvond kort na het voorval – een zwarte broek, een zwarte jas met een koperen rits en zwarte schoenen. Verder had hij een Glasgows accent en was hij niet glad geschoren, maar had hij een stoppelbaardje van twee of drie dagen.

Het opvallende in deze zaak is dat tijdens het proces de verklaring van het slachtoffer werd toegestaan als bewijs, terwijl de identificatieprocedure duidelijk was geschonden (een ‘streetview identification’ van tien meter afstand voldoet niet!). Er werd hier dus dermate veel waarde gehecht aan een getuigenverklaring waardoor er als het ware een tunnelvisie ontstond. Naar een eventuele andere dader werd niet gezocht, want met het oppakken van de verdachte leek de zaak al te zijn afgerond. Hier werd duidelijk dat invloeden van buitenaf – in dit geval de aanwijzingen van de agenten aan de vrouw op het moment dat ze de dader in de woonwijk zoeken – grote invloed kunnen hebben op de herinneringen van de getuige in kwestie. Niet voor niets werd opgemerkt dat ‘a clearer way of pointing out to her who it was that the police sought her to identify could not have been imagined’.[5]

De zaak Adolf Beck[6]
De casus die me echter het meest is bijgebleven, is die van Adolf Beck. De zaak is nogal gedateerd (1905), maar komt in veel (Engelse) rechtenboeken terug. Het maakt namelijk duidelijk dat we onze eigen ogen – of ons geheugen – zeker niet blindelings kunnen vertrouwen.

We tellen het najaar van 1895. Beck, op dat moment 54 jaar, leefde in een klein appartement in Victoria Street. Op 16 december, even na 16.30u, werd hij bij de voordeur van zijn appartement aangesproken door een vrouw, Ottilie Meissonier. De woorden die ze vervolgens uitsprak zouden zijn leven totaal veranderen. ‘Meneer,’ zei ze. ‘Ik ken u.’

Voor wie zag ze Beck nu aan? Ze dacht dat hij de man was die haar drie weken geleden dertig pond had ontfutseld en dit maakte ze Beck kenbaar. Deze wist niet waar ze het over had en raakte in paniek toen ze hem voor dief begon uit te maken. Hij rende over straat, gevolgd door een schreeuwende Meissonier, waarna ze een agent tegen het lijf liepen. Beiden werden meegenomen naar het politiebureau. De beschuldiging van Meissonier werd serieus genomen, mede omdat er een paar maanden eerder ook sprake was geweest van een dergelijke zwendel, toentertijd bij een vrouw genaamd Daisy Grant. De details daarvan, net als de beschrijving van de oplichter, kwamen angstvallig overeen en Beck paste redelijk in dat plaatje.

Grant werd opgeroepen om Beck te identificeren door middel van een line up. Lang hoefde Grant niet na te denken en ze pikte Beck uit de rij. ‘Hij is de man,’ zei ze en Beck werd in hechtenis gesteld.

De zaak haalde het nieuws en meerdere vrouwen meldden zich bij het bureau, allen met het verhaal dat ook zij slachtoffer waren geworden van Becks fraude. Zouden zij hem ook als de dader herkennen?

Kate Brakefield was bedrogen en beroofd in juni van dat jaar. Uit een line up van acht mannen pikte zij Beck eruit. Minnie Lewis, beroofd in april, identificeerde hem uit een line up van veertien personen. Er volgden nog meer vrouwen. Marion Taylor was ‘vrij zeker’ dat Beck de oplichter was. Fanny Nutt verklaarde dat ze hem nog uit duizend mannen zou herkennen. Evelyn Emily Miller wees direct Beck aan en ook Alice Sinclair en Ethel Annie Townsend wisten hem uit de line up te pikken.

Uiteindelijk konden twaalf vrouwen hem identificeren, de meesten wisten met absolute zekerheid dat hij de dader was. De vooruitzichten voor Beck waren somber. Niet alleen kon hij geen fatsoenlijke alibi’s verschaffen, ook kwam het handschrift van de dader op de getekende papieren akelig overeen met de zijne.

De voorvallen hadden allemaal een aantal overeenkomsten. Het ging om vrouwen van een bepaalde klasse: alleenstaand, weduwe of gescheiden, met weinig geld, maar met een desperate hoop om fatsoenlijk over te komen. Daarnaast vonden de gesprekken altijd plaats op een openbare plek, waar hij de vrouwen op charmante wijze aansprak. Het duurde dan niet lang voordat hij bij hen op de bank eindigde, waar hij hen een verleidelijk aanbod deed. Hij was namelijk de Graaf van Wilton en had dringende behoefte aan een huishoudster. Deze mocht bij hem inwonen, kreeg goed betaald, had een eigen paard en wagen en mocht mee op buitenlandse reizen. Wel moest de huishoudster er fatsoenlijk bijlopen, dus werden de sieraden van de vrouwen bekeken. Sommige waren goed, andere moesten worden verbeterd. Deze nam hij mee en zou hij naar de juwelier brengen, om ze een paar uur later weer bij de vrouwen terug te bezorgen. Daarna vertrok de ‘Graaf van Wilton’ met de noorderzon, zonder dat de vrouwen nog een glimp van hem opvingen.

Nu was het opvallende in deze zaak dat een dergelijk delict al eens eerder was gepleegd in Londen, zo’n zeventien jaar eerder, op vrijwel exact dezelfde wijze. De man die achter deze daden zat, droeg de naam John Smith. Waren hij en Beck dezelfde persoon? Een politieman, die in die tijd Smith had gezien, dacht van wel. Beck ontkende echter, hij zat in die periode namelijk in Peru. Dit leek een lichtpuntje voor Beck. Als hij dit hard kon maken, zou hij waarschijnlijk worden vrijgesproken, gezien de mate waarin de delicten van 1877 en 1894 overeen kwamen. Dit werd hem echter belet, want de rechter, Sir Forrest Fulton, die destijds John Smith als jonge advocaat had veroordeeld, verbood de discussie over de eerdere misdaden. Het zou volgens hem namelijk kunnen leiden tot misleiding van de jury.

Beck werd schuldig bevonden en veroordeeld tot zeven jaar dwangarbeid op basis van het feit dat de hoeveelheid bewijs overweldigend was. Vijf jaar zat Beck vast, ondanks allerlei pogingen om zijn onschuld te bewijzen. Toen kwam er ineens een nieuw feit aan het licht. Smith had namelijk terwijl hij zijn straf uitzat in 1879 gevraagd of hij zijn protestantse geloof – zoals dat was opgenomen in zijn dossier – kon wijzigen in de Joodse. Hij was namelijk altijd Joods geweest en kon dit aantonen door te laten zien dat hij besneden was. Toen Beck werd onderzocht bleek dat hij niet besneden was en dit bewijs zou overtuigend genoeg moeten zijn. Smith en Beck waren duidelijk niet dezelfde man.

Toch weigerde rechter Fulton de zaak te heropenen en dit werd geaccepteerd zonder verdere vragen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Niemand anders werd verteld over het nieuwe bewijs, zelfs Beck was daar niet van op de hoogte. Deze zat zijn straf uit en werd uiteindelijk in 1901, op 61-jarige leeftijd, vrijgelaten. Hij keerde terug naar zijn appartement in Londen en wilde zijn leven weer opbouwen. Dat was echter nog niet zo gemakkelijk.

Op 23 maart 1904 deed ene Pauline Scott aangifte over het verlies van haar ring en horloge. Deze zou ze zijn kwijtgeraakt aan een man die zichzelf de ‘Graaf van Wilton’ noemde. De geschiedenis leek zich te herhalen en wederom kwam de politie uit bij Beck. Scott moest hem identificeren en gaf vrijwel meteen aan dat hij de dief was. Wederom leek protesteren door Beck zinloos. Ook deze keer werd de zaak in de publiciteit gebracht en Beck werd uiteindelijk berecht voor oplichting van Pauline Scott en nog drie andere vrouwen. Hij zou weer vier jaar in de gevangenis door moeten brengen.

Toen, op 7 juli 1904, terwijl Beck al opgesloten zat, vond een zelfde soort zwendel plaats aan de andere kant van Londen. Het ging om twee zussen, die – in tegenstelling tot de andere vrouwen – onraad roken bij het verhaal van de charmante Graaf van Wilton. Er volgde een arrestatie en toen ging het snel. De man werd ontmaskerd als John Smith (zijn echte naam is niet met zekerheid bekend) en ook het belangrijkste bewijs – de besnijdenis – kwam nu naar buiten.

Er werd erkend dat Beck onschuldig was en negen jaar later kreeg hij de toen grote som geld van 5.000 pond ter compensatie van de fouten die gemaakt waren.

Het is ongelofelijk hoe deze zaak aan toevalligheden, pech en misvattingen aan elkaar lijkt te hangen. Minstens zestien vrouwen zwoeren onder ede – onafhankelijk van elkaar, de meesten op basis van een verblijf in zijn buurt van meer dan een uur – dat Beck een fraudeur was. Allen hadden het mis.

Daarnaast zijn er nog de uiterlijke kenmerken van Beck en Smith. Hoewel beiden dezelfde leeftijd en lengte hadden, was Smith stukken zwaarder dan Beck en op wat oppervlakkige overeenkomsten na, lijken de twee mannen eigenlijk helemaal niet op elkaar. Zelf beoordelen? Klik dan hier (Boven: Adolf Beck Onder: John Smith).

Door deze zaak blijkt maar weer dat – hoe voor de hand of juist onwaarschijnlijk een zaak misschien lijkt – we ons niet kunnen baseren op wat onze ogen zien. Laat het een waardevolle les zijn..

Dit artikel is eerder verschenen in de SecJure, Juridisch Faculteitsblad van de Universiteit van Tilburg, oktober 2012, p. 60-62. De originele versie is hier te bekijken.


[1] Wright, Menon, Skagerberg and Gabbert, ‘When Eyewitnessess talk’, Journal of the Association for Psychological Science, vol. 18, nr. 3 p. 174
[2] http://rechten.uvt.nl/koops/PUB/kroon.htm
[3] http://rechten.uvt.nl/koops/PUB/kroon.htm
[4] R. v. Williams, [2003] EWCA Crim 3200
[5] Canter & Zukauskiené, ‘Psychology and Law: Bridging the Gap’, Ashgate Publishing Company, 2008, p. 74
[6] http://www.independent.co.uk/news/uk/crime/the-strange-case-of–adolf-beck-6159841.html

Advertenties

5 reacties op ‘Betrouwbaarheid getuigenverklaringen; kunnen we onze eigen ogen vertrouwen?

    1. Ongetwijfeld, maar daar zou ik even mijn aantekeningen van de summerschool op na moeten slaan. Die liggen echter vele kilometers van me vandaag, dus daar kom ik halverwege volgende week nog even op terug, stuur me nog maar een keer een herinneringsmailtje via ‘contact’ ;)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s